artikel

Vrijstelling toevoeging foliumzuur en vitamine D

Algemeen

Bedrijven hoeven bij het ministerie van VWS niet langer ontheffing te vragen voor producten waaraan vitamine D of foliumzuur zijn toegevoegd, mits deze micronutriënten niet een bepaalde limiet overschrijden. Nieuw daarbij is dat de toegestane hoeveelheid is gekoppeld aan het aantal kilocalorieën dat een levensmiddel bevat.

Grote hoeveelheden foliumzuur of vitamine D zijn schadelijk voor de mens. Daarom mogen deze stoffen volgens artikel 5 van het uit 1996 daterende Warenwetbesluit ‘Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen’ alleen worden toegevoegd aan levensmiddelen om daarmee substitutieproducten (bijv. volledige zuigelingenvoeding) of gerestaureerde levensmiddelen te produceren. Ontheffingen van dit voorschrift voor de toevoeging van micro-voedingsstoffen aan andere levensmiddelen waren niet mogelijk daar er voor deze toevoeging geen voedingskundige noodzaak bestond.

Beleid aanpassen
Op grond van het arrest van 2 december 2004 (Commissie/Nederland, Zaak C-41/02) moest Nederland haar beleid aanpassen. Volgens de Europese Commissie mag een overheid een verzoek om ontheffing uitsluitend weigeren als zij wetenschappelijk kan aantonen dat het op de markt brengen van een specifiek product een gevaar voor de volksgezondheid oplevert. De vraag of voor een toevoeging een voedingskundige noodzaak bestaat, moet daarbij buiten beschouwing blijven.
Het ministerie van VWS liet vanaf maart 2005 de voedingskundige noodzaak als toekenningscriteria voor het verlenen van ontheffingen vervallen. Daarmee konden producenten deze micronutriënten aan tal van voedingsmiddelen toevoegen.

Beoordelen ontheffing
Bij het beoordelen van een verzoek om ontheffing werd in Nederland de zogenaamde benadering per productcategorie gehanteerd. Honorering was uitsluitend mogelijk indien de (theoretische) toevoeging van de micronutriënt aan alle soortgelijke levensmiddelen niet leidde tot overschrijding van de veilige bovengrens voor deze stof.
Deze benadering per productcategorie bleek niet optimaal. Ze leidde tot de theoretische conclusie dat er geen ruimte meer zou zijn voor verdere toevoeging van vitamine D en foliumzuur aan andere categorieën levensmiddelen (de zogenaamde vrije ruimte zou al zijn opgevuld), terwijl dat in de praktijk niet erg realistisch is. Bovendien leidde deze procedure tot administratieve lasten en lange wachttijden voor het bedrijfsleven.

Vrijstellingsregeling
Het ministerie van VWS heeft het RIVM gevraagd een andere benadering uit te werken die voorgaande bezwaren niet kende. Het door dit instituut uitgewerkte model berekent de hoeveelheid foliumzuur of vitamine D per 100 kilocalorie (kcal) die maximaal aan een product zou mogen worden toegevoegd. Dit model is overgenomen in de ‘Warenwetregeling vrijstelling toevoeging foliumzuur en vitamine D aan levensmiddelen’. De filosofie daarbij is dat een individu gemiddeld nooit meer consumeert dan een bepaald aantal kilocalorieën, en dat er dus ook geen risico bestaat dat een individu langdurig teveel foliumzuur (of vitamine D) binnenkrijgt.

Gebruikseisen
Vrijstelling voor de toevoeging van vitamine D en foliumzuur aan levensmiddelen is mogelijk mits in de hoeveelheid levensmiddel die 100 kcal levert het gehalte aan toegevoegd foliumzuur niet boven de 100 μg komt; het gehalte aan toegevoegd vitamine D mag ten hoogste 4,5 μg/100 kcal bedragen. Aan ‘light-producten’, die minder energie leveren dan ‘gewone’ levensmiddelen, mag niet meer foliumzuur en vitamine D worden toegevoegd dan aan de ‘gewone’ voedingsmiddelen.
Voor verrijking met hogere gehalten vitamine D of foliumzuur dan de vrijgestelde waarden moet een producent nog steeds bij het ministerie van VWS een ontheffingsverzoek aanvragen.

Reageer op dit artikel