artikel

Labs geconfronteerd met veel veranderingen

Algemeen

Microbiologische laboratoria worden geconfronteerd met veel veranderingen. Veel methoden zijn in ISO-verband gewijzigd of nieuw verschenen. Aan de labinrichting worden veel meer en ook strengere eisen gesteld. Ook moet aan het nemen van representatieve monsters meer aandacht worden geschonken.

Ruim 180 mensen waren aanwezig op de derde VMT’s Praktijkdag Microbiologie die 19 april in de Reehorst werd gehouden. Deze dag stond in het teken van het officieel verschijnen van de nieuwe druk van het methodenboek ‘Microbiologie van Voedingsmiddelen’. Aan het eind van de dag kreeg hoogleraar Levensmiddelenmicrobiologie Marcel Zwietering, tevens dagvoorzitter, het eerste exemplaar daarvan overhandigd.

Monstername
Monstername vormt de basis van het microbiologisch onderzoek, maar blijft een lastig, en zeker onderschat onderdeel daarvan. Annemarie Pielaat van het RIVM illustreerde dit via het project ‘Monstername ten behoeve van de voedselveiligheid van groente en fruit’. Dit project werd opgezet vanwege de verontrustende berichten over met pathogenen besmette (rauwe) groente en fruit.

Door tuinders, groentesnijderijen en retail erbij te betrekken wil men inzicht krijgen in mogelijke besmettingsbronnen en het besmettingsverloop in de productieketen. Van oktober 2006 tot oktober 2007 zullen 1.900 grondstofmonster van tuinders bij aankomst op de snijderij en 2.336 bewerkte producten bij snijderijen en retail worden onderzocht. Deze worden op vier bacteriesoorten onderzocht. Tot april dit jaar zijn er circa 900 gesneden grondstoffen (bladsla, andijvie, komkommers en paprika’s) onderzocht. Daarnaast zijn er tot april 400 kant-en-klare zakjes uit de retail onderzocht. Slechts in één retail monster werd Salmonella aangetroffen.

Hoewel de zomerperiode nog niet in deze resultaten is meegenomen, luidt een eerste conclusie dat pathogenen in Nederlandse (gesneden) groenten in de winter en het voorjaar nauwelijks voorkomen (prevalentie

De zeer lage nauwkeurigheid (breed interval) wordt vooral bepaald door het lage aantal gevonden positieve monsters. “Houd dus bij de monsterstrategie rekening met je doel en vraagstelling; wat wil je te weten komen en levert het resultaat van een grote monstername beter inzicht in een volksgezondheidsrisico dan nu bekend”, adviseerde Pielaat. Gezien het belang van de monstername en de onduidelijkheid daarover benadrukte de volgende spreker, lector voedselveiligheid Arnold Dijkstra, dat monstername nadrukkelijker op de agenda komt te staan van de diverse normalisatie(werk)groepen. Enne de Boer van de VWA liet later nog weten dat de huidige ISO 17604: 2003 over karkasbemonstering zal worden uitgebreid met bijlagen voor pluimvee en konijnen.

Labeisen
Ervan uitgaand dat het monster representatief is voor de partij moet een lab dit op de juiste manier, met de juiste middelen, goed opgeleidde mensen en met de juiste methode onderzoeken. De basis daarvoor wordt gelegd in de ISO 7218-norm, waarvan binnenkort een geheel nieuwe versie zal verschijnen. Lector Voedselveiligheid Arnold Dijkstra, lid van deze ISO-werkgroep, had de belangrijkste veranderingen overzichtelijk op een rij gezet en in de congresmap laten opnemen.
Tijdens de ISO 7218 werkgroep vergadering begin mei in Cairo is besloten dat de FDIS zo spoedig mogelijk zal worden gepubliceerd als nieuwe ISO 7218. Op dit moment is de uit 1996 daterende versie van 7218 nog steeds van kracht.

Nieuw is dat de FDIS zicht ook richt op het onderzoek van prionen, parasieten en virussen en monsters van omgevingsonderzoek. Niet onder de werkingssfeer vallen het onderzoek naar toxinen en biologische agens uit de zwaarste risicoklasse (4), waartoe bijvoorbeeld het ebola virus behoort.
De mediumbereiding is volledig verwijderd uit ISO 7218 omdat daarvoor aparte normen zijn opgesteld (ISO /TS 11133-1 en 11133-2). Verder wordt helder aangegeven dat met de mond pipetteren verboden is. Ook wordt er veel meer aandacht besteedt aan het kalibreren en verifiëren van apparaten. De hele sectie apparatuur is sterk uitgebreid en bijgewerkt. Mits wordt voldaan aan een paar simpele eisen, mag de bunsenbrander voorgoed worden uitgezet.

Platen
Per plaat (Ø 90 mm) moet 18-20 ml medium worden gebruikt (is een laagdikte van 3 mm). “Een lab zal door deze eis gemiddeld 50% meer agar gaan verbruiken”, aldus Dijkstra. “Meest controversioneel in de FDIS is dat er voortaan per verdunning maar een in plaats van twee platen hoeft te worden ingezet. Dit betekent ook dat in alle nieuwe ISO-normen de eis van het inzetten van twee platen per verdunning komt te vervallen.” Zoals hiervoor gemeld heeft de werkgroep begin mei in Cairo besloten de FDIS om te zetten in een ISO-norm. De tekst over het aantal platen zal daarin afwijken van de FDIS.

Alleen laboratoria die volgens de kwaliteitscriteria in ISO 17025 werken mogen bij twee of meer verdunningen volstaan met het inzetten van nog slechts een plaat; in alle andere gevallen zullen labs nog steeds twee platen per verdunning moeten inzetten. Er zal nog een document worden opgesteld om de keuze voor een plaat per verdunning verder te onderbouwen. Dit document zal worden opgenomen in de referenties van de ISO 7218. Deze nieuwe ISO geldt overigens alleen voor het onderzoek van voedingsmiddelen en diervoeders. Voor het onderzoek van water is ISO 8199 van toepassing. Daarin is het gebruik van één plaat en een grotere hoeveelheid media per plaat niet vastgelegd.

Bebroeden
Platen mogen voortaan maximaal 48 (nu nog 24) uur na bebroeden worden bewaard in de koelkast. Verder is de ondergrens voor een betrouwbaar resultaat gesteld op 10 (was 15) kolonies per plaat. Bij vier tot tien koloniën mag het resultaat als ‘geschatte waarde’ worden gerapporteerd; bij een, twee of drie koloniën per plaat alleen als ‘onderzochte micro-organismen waren aanwezig in het onderzochte volume’. “Hieraan ligt een erg aardig stukje statistiek ten grondslag dat zelfs voor niet statistici is te volgen.” Een aanrader noemde Dijkstra nog de bijlage met daarin een overzicht van desinfectantia. Behalve werkzame methode is daarin ook opgenomen welke voedingsmiddelen/ stoffen de desinfectantia geïnactiveerd en de toxiciteit van deze middelen.

Methoden
Bij het toetsen of grondstoffen en (half)producten voldoen aan de microbiologische criteria worden genormaliseerde methoden gebruikt, bij voorkeur van ISO (wereldwijd) en CEN (Europa). Enne de Boer gaf als voorzitter van de NEN-commissie Microbiologie een uitgebreid overzicht van de vele veranderingen die zijn opgetreden. Recente wijzigingen zijn de introductie van Bolton-bouillon bij de detectie van Campylobacter (ISO 10272-1) en het ALOA-medium bij de detectie en telling van Listeria monocytogenes (ISO 1120). Een voorbeeld van een geheel nieuwe norm die in 2006 is verschenen betreft de detectie van Enterobacter sakazakii in melk en melkproducten (ISO/TS 22964).

Omdat er steeds meer aandacht is voor onderzoek van monsters in de primaire productiefase (boerderij, slachterij, distributie, enzovoorts) worden hiervoor momenteel ook standaardmethoden ontwikkeld. Een voorbeeld is de methode voor de bepaling van Salmonella in dierlijke feces (ISO 6579:2002/AM 1:2007), die dit jaar zal worden gepubliceerd. Deze is al opgenomen in de vierde editie van het methodenboek.

Naast standaardmethoden voor klassieke microbiologische kweektechnieken wordt momenteel hard gewerkt aan normalisatie van Polymerase Chain Reaction (PCR) technieken, zoals die worden toegepast voor de detectie van voedselpathogenen, inclusief voedselgerelateerde virussen.

Reageer op dit artikel