artikel

Nederland als Hollywood van foodindustrie

Algemeen

De Nederlandse machinebouwers voor de voedselverwerkende industrie leven in een complexe, onzekere en snel veranderende wereld. Milieueisen worden steeds strenger, consumenten steeds veeleisender en de relatief hoge lonen in Nederland vragen om een extra hoge productiviteit. Welke koers biedt de beste kansen voor de toekomst? Stork Food Systems zet in op levensmiddelentechnologen voor de ontwikkeling van kennis in eigen huis.

‘Creating better food’ luidt de slogan die de GMV (branchevereniging van fabrikanten van machines voor de voedingsmiddelen- en verpakkingsmachines) samen met adviesbureau De Ruijter Strategie formuleerde op basis van een scenariostudie naar de koers die de Nederlandse machinebouwers voor de voedselverwerkende industrie moeten volgen. Met Nederlandse machines wel te verstaan. Die mogen best iets duurder zijn dan die van lokale producenten in het buitenland. Tenminste als de Nederlandse machinebouwers toegevoegde waarde weten te creëren in de zin van voorop lopen met technologische ontwikkelingen, goede service bieden en – belangrijker nog – snel machines kunnen aanpassen aan de wensen van de afnemer. Deze kan dan met die machine in eigen land net iets andere of zelfs geheel nieuwe producten produceren.
Paul de Ruijter van het gelijknamige adviesbureau maakt de parallel met de filmindustrie. “Net als in Hollywood zijn de productiefactoren in Nederland duur als gevolg van hoge lonen, strenge milieueisen en verwende consumenten. Toch is Hollywood het centrum van de filmindustrie. Dat komt doordat zij de beste producers, auteurs, technologie, enzovoorts hebben. De Nederlandse agro- en voedingsmiddelenindustrie moet een dergelijke situatie creëren. Nederland moet het Hollywood van de foodindustrie worden. Hollyfood dus.”

Goede naam
De kennisinfrastructuur vormt de basis voor de goede naam die het Nederlandse bedrijfsleven heeft in het buitenland. Ook strenge Europese regelgeving voor het bouwen van machines (machine- en voedselveiligheid), milieueisen en de grote concurrentie die de machinebouwers scherp houdt, zorgen ervoor dat het Nederlandse bedrijfsleven zich onderscheidt en menig order uit het buitenland weet binnen te slepen. Nederlandse machines zijn degelijk, efficiënt en gedurende hun ‘life cycle’ zeer kosteneffectief.
Concurrentie ligt echter op de loer. In steeds meer delen van de wereld komen vergelijkbare expertise en prestaties dichterbij. Bovendien worden juist omdat Nederlandse machinebouwers zo goed scoren, Nederlandse machines op grote schaal gekopieerd door lokale producenten. “Imitaties komen in feite in alle sectoren voor”, verduidelijkt Herbert van Sluys, sectormanager bij GMV. “Zowel in Oost-Europa als in China en India zien we in een vrij snel tempo machines verschijnen van een kwaliteit die de Nederlandse fabrikanten dwingt tot een onverminderde innovatie-inspanning om hun voorsprong te behouden.”
Mede doordat de GMV al tien jaar zeer actief is op het gebied van innovatie slagen machinebouwers er ook in om de voorsprong te handhaven. Van Sluys vervolgt: “Binnenkort starten we met het verder bevorderen van de samenwerking in de keten. Het nieuwe initiatief is een Innovatie Prestatie Contract (IPC) tussen 15 GMV-leden en 15 andere bedrijven uit de keten, zowel voedingsmiddelenfabrikanten als technische toeleveranciers. Een IPC is een nieuwe werkwijze om de samenwerking tussen het ministerie van Economische Zaken, bedrijven en brancheorganisaties te stimuleren en tot meerjarige innovatie te komen. Samenwerking en kennisoverdracht spelen hierbij een belangrijke rol.
Imitatie is niet alleen een probleem in landen als China, India of Oost-Europa. Ook (of zelfs) in West-Europa is het aan de orde. “Daar gebeurt het vaak op zodanige wijze dat er met juridische middelen geen grip op is te krijgen. In Italië worden bijvoorbeeld machines gemaakt waarin functionaliteiten van Nederlandse machines zijn gekopieerd. Die machines hebben een iets lagere prijs en soms een mooier design. Des te meer reden om in te zetten op kennis en innovatie”, aldus de GMV-manager.

Kennisinfrastructuur
Investeren in de eigen kennisinfrastructuur doet bijvoorbeeld GMV-lid Stork Food Systems in Boxmeer. Stork Food Systems ontwikkelt, produceert en onderhoudt industriële systemen en installaties voor het verwerken van pluimvee, verderverwerken van (rood)vlees, vis en aardappelmassa en het afvullen van (vloeibare)voedingsmiddelen. Door innovatieve concepten wil de groep een significant voordeel in de markt creëren voor haar afnemers. De belangrijkste aspecten daarbij zijn rendementsverbetering, optimalisering van de productpresentatie en een korte terugverdientijd van de systemen. Andere belangrijke aandachtspunten zijn hygiëne, (voedsel)veiligheid, maximalisering van het gebruik van de bijproducten die ontstaan tijdens het verwerkingsproces en minimalisering van de afvalstromen.
Frans van der Steen, werkzaam als coach R&D further processing binnen Stork Food Systems zegt hierover: “Wij ontwikkelen niet zomaar machines. Neem bijvoorbeeld de verwerking van kippenvlees. We kijken eerst wat er met kippenvlees gebeurt als het onder druk wordt samengeperst. Weet je welke invloed een bepaalde druk op de producteigenschappen van het vlees heeft, dan kun je een betere machine ontwikkelen.”

Eigen kennis in eigen huis
In de onlangs door Stork ontwikkelde RevoPortioner is deze kennis toegepast. Met deze vormmachine kunnen onder meer stukken kippenvlees onder een lage druk worden gevormd tot zogeheten kipnuggets. Door de lagere druk blijft de structuur van het vlees beter intact dan bij de gangbare hogedrukvormmachines. Ook haalt de machine een hogere capaciteit. Belangrijk aspect is ook dat de RevoPortioner inzetbaar is in een bredere temperatuursrange. “De meeste kipproducten die wij maken, worden na het vormen weer verhit in een oven of frituur. Door bij een hogere temperatuur te vormen, hoef je de temperatuur van het product daarna minder te verhogen dan dat er bij een lagere temperatuur wordt gevormd. Dit komt de kwaliteit van het product ten goede en werkt energiebesparend”, aldus Van der Steen.
De kennis van producten die op Stork-machines worden gefabriceerd, verkrijgt Stork via onderzoekprojecten in eigen huis. Onderzoek dat wordt geleid door levensmiddelentechnologen zoals Van der Steen.“Je kunt die onderzoeken uitbesteden bij onderzoeksinstituten en universiteiten, waarmee wij overigens ook samenwerken, maar daarmee heb je alle benodigde kennis nog niet in huis. Door zelf onderzoeksprojecten te leiden, heb je dat wel. Dat is onze kracht en toegevoegde waarde”, motiveert de R&D-er. Van der Steen vervolgt: “Zo is bij de RevoPortioner de vormwals een eigen ontwikkeling die tot stand is gekomen met de levensmiddelentechnologische kennis die we in huis hebben”.
De ontwikkeling en productie van de machines gebeurt ondanks dat Stork Food Systems wereldwijd vestigingen heeft voorlopig niet in lagelonenlanden, maar alleen op strategische productielocaties in Nederland, Amerika en Brazilië. ”Wij garanderen de performance van onze machines en dat zou bij productie in lagelonenlanden niet kunnen. Om de toegevoegde waarde te borgen, gaan we zelfs zo ver dat er niet alleen levensmiddelentechnologen meewerken aan de ontwikkeling van de machines, maar ook aan de implementatie bij de klant. Als laatste stap in het gehele proces krijgt de klant bij ons vaak nog een opleiding om optimaal met deze apparatuur te kunnen werken.”

Niet klantspecifiek
Stork zet daarmee in op strategieën zoals geformuleerd in de GMV-studie: technologische voorsprong en service bieden. Service omvat in dit geval tevens begeleiding en training. De scenariostudie wees ook uit dat Nederlandse machinebouwers snel machines moeten kunnen aanpassen aan de wensen van de afnemer. Stork ziet dit aspect anders en produceert geen klantspecifieke machines. “Wij hebben er voor gekozen uitsluitend machines in serie te produceren. Deze kunnen uiteraard wel per land of regio en per product verschillen, maar niet per klant. Dan zouden ze gewoon te duur zijn”, aldus Van der Steen. “Bij de ontwikkeling van onze machines verdiepen we ons eerst in het product. Pas als we als levensmiddelentechnologen alle ‘ins en outs’ van het product kennen, kunnen we naar onze mening de klant goed adviseren en een goede machine ontwerpen. We stellen dus vooral het product van de klant centraal en niet zozeer de specifieke klantwens”.

Reageer op dit artikel