artikel

Auto- en zelfcontrole: zoek de verschillen

Algemeen

In 2002 werd de Algemene Levensmiddelen Wetgeving van kracht. Hoe spelen overheid en bedrijfsleven in op hun nieuwe rol? Op welke manier wordt de zelfcontrole georganiseerd? En: hoe ver zijn België en Nederland met de implementatie?

Bovenstaande vragen stonden centraal op het congres ‘De General Food Law: auto/zelfcontrole’ dat AOAC Low Lands eind oktober organiseerde. Jan Baele van de Europese Commissie presenteerde daar cijfers waaruit bleek dat het aantal meldingen aan het Rapid Alert Systeem for Food and Feed (RASFF) de laatste jaren sterk is toegenomen; van circa 4.000 in 2003 tot bijna 7.000 in 2005.

Baele verklaart de sterke toename van het aantal notificaties de afgelopen jaren door een intensievere samenwerking van de EU-lidstaten, maar ook doordat bedrijven in het kader van zelfcontrole hun producten vaker laten analyseren. Hij verwacht overigens voor 2006 een lichte daling van het aantal notificaties. Redenen zijn het ontbreken van groeifactoren (de nieuwe lidstaten zijn al in 2005 bij de EU gekomen) en enkele aanpassingen van de criteria voor notificatie.

Nederlandse zelfcontrole
De VWA heeft naar aanleiding van de ALW haar handhavingsbeleid aangepast. Zij legt de verantwoordelijkheid voor veilig voedsel, en daarmee de controle ervan, nadrukkelijk bij het bedrijfsleven. Bedrijven die slecht presteren zal de VWA strenger controleren. Bedrijven die het goed doen minder vaak (bonus/malus).

Nieuw is ook dat de VWA sectoren of formulebedrijven steekproefgewijs gaat inspecteren. Formulebedrijven kenmerken zich door een groot aantal vergelijkbare vestigingen, denk bijvoorbeeld aan McDonald’s. “Wijst de steekproef uit dat tachtig procent van de vestigingen voldoet aan de vooraf gestelde VWA-criteria, dan wordt de formule geclassificeerd als groen wat neerkomt op ‘nagenoeg geen risico’ en wordt het handhavingregime daarop aangepast”, vertelde inspecteur Levensmiddelen Hans Beuger.

De door deze efficiëntere aanpak vrijkomende inspectiecapaciteit zal worden ingezet voor de klasse geel/oranje (beperkt risico) of rood (permanent risico). “Bedrijven in de laatste klasse zullen hard worden aangepakt, waarbij geldt: het bedrijf voldoet of het bedrijf stopt.”

Certificering
De VWA ziet certificering (nog) niet als aanvulling op het toezicht. Zij onderzoekt op welke manier zij vertrouwen kan krijgen in certificering. Op dit moment wordt samen met het Centraal College van Deskundigen HACCP in een pilot de waarde van het HACCP-certificaat bepaald. Daar waar zelfcontrole via certificering aantoonbaar werkt, zal het VWA-toezicht worden verminderd.

Belgische autocontrole
De Belgische overheid heeft naar aanleiding van de Algemene Levensmiddelen Wetgeving, maar zeker ook de dioxinecrisis in 1999, de controle van voedselveiligheid rigoureus gewijzigd. Belangrijk ijkpunt daarbij is de publicatie van het Koninklijk Besluit van 14 november 2003 over autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen. Ook in dit besluit wordt ervan uitgegaan dat producenten verantwoordelijk zijn voor de productie van veilige voedingsmiddelen en niet de overheid.

Producenten zijn verplicht betrouwbare systemen voor autocontrole en traceerbaarheid op te zetten. De overheid, in dit geval het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV), ziet er op toe dat dit (goed) gebeurt. Er geldt een meldingsplicht voor alle betrokkenen om risico’s voor de voedselveiligheid te melden aan de overheid.

Beroepssectoren kunnen autocontrolegidsen opstellen. Deze gidsen houden onder andere rekening met een gevarenanalyse van de activiteiten, de voorzieningen, het personeel en de omgeving. Met behulp van deze gidsen, die door het FAVV moeten worden goedgekeurd, kunnen bedrijven een autocontrolesysteem opzetten. Inmiddels heeft het FAVV acht gidsen gevalideerd: zuivelindustrie, diervoeders, slagerij, productie rauwe melk, transport rauwe melk, productie/distributie bestrijdingsmiddelen, plantaardige productie en horeca. Naar verwachting zullen er de komende tijd nog circa 35 gidsen worden goedgekeurd.

Bonus/malussysteem
De Belgische overheid beschouwt gecertificeerde bedrijven die werken volgens een gevalideerd autocontrolesysteem als minder risicovol. Deze bedrijven krijgen een korting van 15 % (bonus) op de jaarlijkse bijdrage aan het FAVV. Veel bedrijven vinden dit bedrag te laag en hebben hun autocontrolesysteem nog niet laten certificeren. Vanaf 2008 wordt het systeem echter uitgebreid met een malusregeling. Bedrijven die in 2007 geen certificaat hebben, moeten in 2008 een dubbele bijdrage aan het FAVV betalen.

Nederland-België
Hoewel de Nederlandse en Belgische aanpak overeenkomsten vertonen – de autocontrolegidsen bijvoorbeeld zijn te vergelijken met de Nederlandse hygiënecodes – zijn er zeker ook verschillen. Een opvallend verschil met de Nederlandse situatie is dat het FAVV het toezicht op de autocontrole kan uitbesteden aan certificerende instellingen (CI’s). Deze CI’s moeten onder meer erkend zijn door het FAVV. Indien nodig kan de FAVV dus direct interveniëren. De Nederlandse VWA kan dat niet en kiest er voor om haar controlemethode af te stemmen op de private certificering.

Verder moeten certificerende instellingen onafhankelijk zijn en geaccrediteerd zijn volgens de normen ISO/IEC 17020, EN 45011 of EN 45012. Tot slot moeten auditoren voldoen aan voorgeschreven eisen voor opleiding, beroepservaring en kwalificaties.

Een ander opvallend verschil was de inschatting van de gemiddelde tijdsduur die bij HACCP-, IFS- of BRC-audits besteed wordt aan HACCP/voedselveiligheidissues. Bart Maes van de Belgische certificatie-instelling Integra schatte de benodigde inspectietijd hiervoor op circa een dag. VWA-er Hans Beuger kwam met gemiddeld twintig minuten aanzienlijk lager uit.

Zowel Maes als Beuger noemden als punt van aandacht dat commerciële motieven de kwaliteit van de audits niet negatief mogen beïnvloeden. Voorkomen moet worden dat bedrijven gaan ‘shoppen’ en in zee gaan met de voordeligste aanbieder. De accrediterende instellingen (Raad voor Accreditatie (RvA) voor Nederland en BELAC voor België) spelen hierbij een belangrijke rol.

Bart Maes zag in dit kader ook een taak weggelegd voor eigenaren en beheerders van voedselveiligheidstandaarden. Britse, Duitse en Franse retailers onderschatten volgens hem nog te veel de rol die zij kunnen spelen bij het tegengaan van commerciële mechanismen die de kwaliteit van de audit negatief beïnvloeden.

Koudwatervrees
”België is verder dan Nederland met invoering van autocontrole. Heeft de VWA koudwatervrees?” Met deze prikkelende stelling werd het congres afgesloten. Hans Beuger reageerde direct en stelde dat juist de Belgen leiden aan koudwatervrees. De Belgische overheid legt veel zaken over voedselveiligheid vast in wet- en regelgeving. Hierdoor lijkt het alsof zij het niet aan het bedrijfsleven toevertrouwt om deze zaken te regelen.

In Nederland wordt meer uit gegaan van het principe dat bedrijven primair verantwoordelijk zijn voor veilig voedsel. Een voedselincident of crisis is in eerste instantie het probleem van het bedrijf, niet dat van de overheid. Volgens Beuger is deze benadering meer in lijn met de Europese wetgeving. Illustratief voor dit verschil in benadering is dat Belgische laboratoria de resultaten van analyses die bij bedrijven zijn uitgevoerd en wijzen op een mogelijk gevaar voor de volksgezond, direct aan het FAVV moeten melden. In Nederland is deze benadering ondenkbaar.

Harmoniseren
Alle sprekers dachten dat de aanpakken van beide landen naar elkaar toe zullen gaan groeien. Volgens Luc Callebaut van Friesland Foods België moeten landen niet los van elkaar een eigen invulling geven aan de eisen van de ALW. Hij staat een meer internationale (lees: geharmoniseerde) aanpak voor omdat de ALW geldt voor geheel Europa. Zijn eigen bedrijf zal binnenkort van het HACCP-certificaat overstappen naar het ISO 22000-certificaat.

Reageer op dit artikel