artikel

‘Stiekem hoop ik op een stukje laaghangend fruit’

Algemeen

Kees de Gooijer is directeur van de nieuwe stichting Food & Nutrition Delta. De stichting coördineert de subsidieregeling die grote en kleine voedingsmiddelenbedrijven moet laten innoveren. De komende vier jaar is € 63 miljoen te investeren. “Het nieuwe is dat we het samen gaan doen.”

“Het schip op gang krijgen is niet zo moeilijk. Kunst is de goede koers te varen en de vaart er in te houden.” Kees de Gooijer aan het woord. Op 1 oktober verruilde hij zijn functie van algemeen directeur van de Agrotechnology & Food Sciences Group, onderdeel van Wageningen UR, voor die van directeur van de Stichting Food & Nutrition Delta (FND). De stichting verzorgt de organisatie rond het subsidieprogramma Food & Nutrition Delta van het ministerie van Economische Zaken. Doel is dat Nederland in Europa een leidende rol krijgt in innovatie op het terrein van voeding en gezondheid.
In feite gaat het om een tweede fase: de afgelopen jaren kreeg het onderzoek een nieuwe impuls via de oprichting van Wageningen Centre for Food Sciences (WCFS). Food was door het innovatieplatform uitgeroepen tot een van de speerpunten van het overheidsbeleid.
Dit jaar heeft de stichting € 12,7 miljoen te vergeven. De termijn voor het indienen van projecten was echter erg kort, van 14 september tot en met 16 oktober. Zodoende konden alleen bedrijven die hiervan al op de hoogte waren een projectvoorstel indienen. De komende vier jaren zijn er nog eens € 50,8 miljoen op de begroting gereserveerd. SenterNovem regelt de subsidieprocedure.

Wat kan Food & Nutrition Delta voor MKB-ondernemers betekenen?“We richten ons nadrukkelijk op MKB-bedrijven, maar dat alleen het MKB onze doelgroep is, is een misverstand. We zijn begonnen met WCFS, een samenwerking tussen grote voedingsmiddelenconcerns, kennisinstituten en universiteiten gericht op wetenschappelijk onderzoek. Via Food & Nutrition Delta willen we de gegenereerde kennis uitrollen naar de hele voedingsmiddelenindustrie, MKB-bedrijven maar ook grote concerns.
De voedingsmiddelenindustrie is een vrij gesloten, hoog competitieve markt. Hierdoor worden innovaties geremd. We moeten naar een veel opener innovatiestructuur, zowel fysiek als qua beleving. Dat is ons belangrijkste doel de komende vier jaar. Als bedrijf heb je niet alle disciplines in huis, ook niet als groot concern. Kijk naar de elektronicawereld. Philips, met zijn high-tech campus in Eindhoven, is misschien wel het beste voorbeeld van een open innovatiestructuur.”

Kunt u een voorbeeld geven van open innovatie?
“Tjerk Gorter, initiator van het gehele innovatietraject, pakt vaak het voorbeeld van dat kleine zeefje dat ze bij Friesland Foods hebben gemaakt voor de winning van micronutriënten. Om een dergelijk klein zeefje in een industriële setting te maken, moet je mensen van elders erbij betrekken die verstand hebben van hoe zo’n zeefje te hechten op een drager, hoe te reinigen, et cetera. Die kennis moet je zo snel mogelijk beschikbaar hebben in een open setting.
Een voorbeeld van een MKB-bedrijf is Resato, een hartstikke leuk bedrijf in Roden dat gespecialiseerd is in hogedruktechnologie. Enerzijds ontwikkelen zij hogedrukapparatuur in een innovatietraject rond milde conservering, anderzijds leveren zij snijapparatuur die werkt met een hogedrukwaterstraal. Bij een bezoek daar worden meteen nieuwe toepassingen voor die snijtechnologie bedacht. Dat soort kruisbestuivingen, die niet lineair zijn in een kennisketen, zijn de dingen waar we het in de toekomst van moeten hebben.”

Top-down of bottom-up innoveren?
We hebben een poosje gehinkt op beide gedachten. Geen van twee is waar. De wetenschappelijke kennis is voor het MKB te moeilijk en te onoverzichtelijk om zelf kennisvragen te formuleren. Andersom dringt de technologiepush niet door tot de bedrijven. De aio en zijn begeleiders zijn toch te veel gericht op het proefschrift en de verdediging daarvan. Op dit terrein ligt een van de hoofdrollen voor de FND-stichting. Partijen bij elkaar brengen en verbindingen maken. De eerste inschrijftermijn voor het verkrijgen van subsidies is inmiddels gesloten, maar bedrijven kunnen nu alvast gaan nadenken over voorstellen voor volgend jaar. Een voorbeeld. Je bent een leverancier van industriële gassen. De uitdaging is dan om samen met je concurrent te inventariseren waar je behoefte aan hebt om qua ontwikkeling een sprong voorwaarts te maken. Men moet samenwerken: in hun eentje komen bedrijven niet in aanmerking voor subsidie.”

Is het niet een illusie om te denken dat concurrenten kennis delen?
“Nee. Ik noemde al het voorbeeld van de elektronicabranche waar dit wel gebeurt. Er is geen reden waarom dit niet ook in de voedingsmiddelensector zou kunnen.”

Een andere mentaliteit en het zeer gesloten karakter van de sector.
“Dat zijn toch geen redenen om… Als je ziet wat er de afgelopen tien jaar in de retail allemaal is veranderd in de schappen. Het mag dan best een enorm gesloten wereld zijn, maar deze wordt wel bijzonder innovatief. De bereidheid om zaken gemeenschappelijk op te pakken wordt dan ook steeds groter. Het hoeft ook niet altijd een rechtstreekse concurrent te zijn. Je kunt ook denken aan ketenintegratie. Neem venkel. Vanaf de veredeling, dus klassiek aanbodgedreven, wordt een project gevraagd waarin wordt geïnventariseerd welke fantastische stoffen er allemaal in venkel zitten. Vervolgens gaat men de consument uitleggen hoe gezond venkel is. Volgens mij wordt die consument langzamerhand horendol van alle zaken die hij moet weten en eten. Eigenlijk moet je zeggen: ‘Venkel is goed. Punt’. Vervolgens ga je samen met een supermarkt na hoe je de consumptie ervan kunt verhogen, bijvoorbeeld door een gemakkelijke, toegankelijke bereiding in zeg een gasverpakking. Persoonlijk geloof ik daar veel meer in.
Bedrijven kunnen natuurlijk ook een verbredingstap maken: daadwerkelijk met de concurrent om tafel gaan. Als de grote bedrijven dat bij het precompetitieve onderzoek al doen, waarom MKB-bedrijven dan niet?”

Omdat het hier gaat om toegepast onderzoek. Zelfs bij het precompetitieve onderzoek binnen WCFS was er destijds veel weerstand tegen het meedoen van directe concurrenten.“Ook bij toegepast onderzoek zijn er zaken waar gemeenschappelijk onderzoek naar kan worden verricht. Denk aan het sluiten van kleppen, het verbeteren van membranen enzovoorts. Het huidige WCFS-foodinformatics-project van Jan Top wordt in dit opzicht erg belangrijk. Dat je straks op een toegankelijke manier weet wie waar wat onderzoekt. In eerste instantie is dit gericht op de kennisinstellingen, maar je kunt daarin verder gaan door te kijken wie je bij Friesland Foods moet hebben voor die ene specifieke applicatie of bij Campina, DSM, Unilever, Resato, Struik enzovoorts. Dan wordt het erg interessant.”

Hoe moeten MKB’ers zich staande houden?
“Ik noemde ook bedrijven als Resato en Struik. Bedrijven moeten natuurlijk wel kiezen voor die dingen waar ze goed in zijn. Daarnaast moeten ze de wil hebben om hun processen continu te verbeteren. Wij zullen dergelijke MKB-bedrijven proberen te verleiden mee te doen. Die oproep is bij deze dan ook gedaan.”

Hoe wilt u deze berijven verleiden?
“Een manier waarvan ik veel verwacht zijn de innovatieschakelaars. Als je innovatiemakelaar schrijft, krijg je de NVM direct op je dak. Dat moeten degenen zijn die weten wat er te koop is en weten welke vragen en problemen er in het midden- en kleinbedrijf spelen. Die brug moeten ze maken. Voor elk van de zes WCFS-thema’s zouden we een kennisschakelaar willen hebben. Probleem is dat er maar zeer weinig innovatieschakelaars zijn.”

Ook niet bij de Innovatiecentra of bij Food Valley?“De innovatiecentra zijn uit het actieve kennisontwikkelingswerk, maar faciliteren dit veel meer. Food Valley krijgt vooral praktische vragen. In die zin vullen partijen elkaar prima aan. Voor de kennisschakelaars denken we meer aan mensen uit de voedingsmiddelenindustrie of kennisinstellingen zelf. In de meest ideale situatie hebben zij er geen belang bij waar het onderzoek wordt ondergebracht.”

Waarom denkt u dat het nu wel lukt om bedrijven te laten samenwerken?“We nemen het MKB buitengewoon serieus. De helft van het bestuur van de Stichting FND bestaat uit bedrijven, waarvan de helft MKB. Helpt dit daadwerkelijk in de praktijk? Nee, maar we willen hiermee wel een duidelijk signaal afgeven. De bereidheid bij het bedrijfsleven lijkt groot. Tal van bedrijven hebben zich al gemeld. Niet alleen voedingsmiddelenbedrijven, maar ook een zorgverzekeraar, een energiebedrijf en een retailer. We hebben geen garanties dat het lukt, maar we gaan in ieder geval ons stinkende best doen.”

Welke doelen moeten worden gehaald, wil het FND-programma over vier jaar zijn geslaagd?
“Er is een aantal doelstellingen geformeerd. Deze staan in ons businessplan dat in zijn geheel is te lezen op www.foodnutritiondelta.nl. De meeste doelstellingen moeten we nog concretiseren. We zijn bezig een nulmeting op te stellen. Waar het kan, zullen we uitgaan van bestaande indicatoren. Denk aan de verhouding van de R&D-uitgaven afgezet tegen de omzet.”

Pas over enkele jaren kunt u enig effect meten?“Ik hoop natuurlijk stiekem op een stukje laaghangend fruit, alleen weet ik niet of dat er wel hangt. Waar het uiteindelijk om gaat, is dat bedrijven de slag kunnen maken naar meer innovaties. Er zijn genoeg bedrijven die met enkele procenten marge werken. Bij de zogeheten high added vallue-markt praat je over tien tot vijftien procent. Daar willen we dus naar toe. Of bedrijven daartoe in staat zijn, weet ik niet. Daar hebben we vier jaar de tijd voor om dat uit te zoeken.”

En daarna?
“Als ik kijk wat er hier en daar allemaal in de pijplijn zit”. De Gooijer wijst naar een naastgelegen gebouw. “Daar zit bijvoorbeeld Michael Müller met zijn genomicsonderzoek. Als je al dergelijk onderzoek combineert met het belang van deze sector voor ons bruto nationaal product, dan kan ik me niet voorstellen dat EZ over vier jaar zegt: ‘laten we maar ophouden met de FND’.
Belangrijkste uitdaging voor de nabije toekomst wordt, zoals gezegd, het creëren van een open innovatiestructuur. Er zijn succesvolle voorbeelden van het effect dat dit kan hebben. Proctor & Gamble hadden een R&D-probleem waar ze niet uitkwamen. Dat hebben ze op een gegeven moment op hun site gezet. Binnen drie weken was het opgelost, met de oplossing voor nog twee andere problemen erbij. Kraft is ook zo’n voorbeeld. Zij hebben samen met consumenten het concept van de top-down-sauzenflessen ontwikkeld. Als bedrijf bedenk je dat niet. Aan dat soort successen houd ik me vast.”

Het businessplan wil jaarlijks 300 van de 3.000 MKB-bedrijven en 50 van de 150 grotere bedrijven met kennisinstellingen laten samenwerken. Is dat niet erg ambitieus?
“Als we de wil om te bouwen erin houden, dan gaan we dat ook halen.”

Geen enkele twijfel?“Nee. Er is niets aan te wijzen waardoor je zou moeten zeggen: ‘Je bent gek. Dat gaat je nooit lukken’.”

Reageer op dit artikel