artikel

Diervoedersector past GMP+ opnieuw aan

Algemeen

Begin dit jaar veroorzaakte een hulpstof in diervoeder opnieuw een dioxine-incident. Het voedselveiligheidsysteem voor diervoeders, GMP+, werd op de proef gesteld. Dit systeem ging eerder dit jaar grondig op de schop. Later dit jaar wordt het verder aangepast aan nieuwe wetgeving en wensen uit de markt.

Vervuild zoutzuur veroorzaakte januari dit jaar een incident met diervoeder. Zoutzuur is een technische hulpstof bij de productie van gelatine. Ook bij het dioxine-incident in 2004 was een technische hulpstof van de voedingsmiddelenindustrie de oorzaak. Toen ging het om klei dat gebruikt werd bij het sorteren van aardappelen. In beide gevallen kwam het dioxine via restproducten van voedingsmiddelenbedrijven terecht in veevoer.

Inventarisatie hulpstoffen
De incidenten waren voor het Productschap Diervoeder (PDV) aanleiding het gebruik van hulpstoffen in de voedingsmiddelenindustrie te inventariseren. Veel grondstoffen van diervoeders zijn immers bijproduct van de productie van voedingsmiddelen. De inventarisatie richt zich op technische hulpstoffen (antischuimmiddelen of antivlokmiddelen), ‘utilities’ (koelmiddelen, brandstoffen en schoonmaakmiddelen) en additieven (conserveermiddelen), ruim 150 stoffen in totaal.

De volgende stap is het beoordelen van potentiële risico’s die met het gebruik van deze stoffen gepaard gaan. De incidenten tonen aan dat de beoordeling op kritische punten in het productieproces en bij het product (HACCP) niet altijd voldoende is. Dat komt doordat die beoordeling vooral is toegespitst op de veiligheid van het voedsel bestemd voor menselijke consumptie.

Per stof wordt een feitenoverzicht opgesteld met daarin de chemische structuur van de stof, de gevaren voor mens, dier en milieu, eventuele (wettelijke) normen, analysemethoden en vermijdbare risico’s. Een en ander resulteert dit najaar in een inschatting van gevaren die samenhangen met het gebruik van grondstoffen uit de voedingsmiddelenindustrie in diervoer. De risicobeoordeling van het gebruik van hulpstoffen is dan te verfijnen en te verbeteren waardoor nieuwe incidenten zijn te voorkomen.

Plan van aanpak
Het PDV ziet, net als brancheorganisatie Nevedi, de beoordeling, selectie en evaluatie van leveranciers van grondstoffen als een kwetsbaar punt en dus een verbeterpunt. Ook enkele grote zuivel- en vleesverwerkende bedrijven eisen passende maatregelen van de diervoedersector. De incidenten veroorzaken immers verlies van imago en afzetmarkten en veel financiële schade. In de kwaliteitsborging in de hele keten krijgt de veiligheid van diervoeders dan ook een cruciale rol toebedeeld.

Het PDV pakt die verantwoordelijkheid op met een plan van aanpak dat nog dit jaar wordt afgerond. Het plan omvat vijf aspecten. Naast de hiervoor genoemde leveranciersbeoordeling is intensievere monitoring van grondstoffen een tweede actiepunt. Vetten controleren op PCB’s, als indicator voor dioxine, is bijvoorbeeld niet afdoende, zo leerde het incident van januari. Er zal ook steekproefgewijs op dioxine worden getest. Andere stoffen waarbij het productieproces goed wordt beheerst, kunnen frequent worden onderzocht. Bij productieprocessen die niet goed worden beheerst, wil het PDV volledige partijcontrole of een zeer frequente bemonstering en analyse verplicht stellen. Zo stelt GMP+ al 100% ingangscontrole verplicht op zware metalen voor voedermiddelen en toevoegmiddelen van minerale oorsprong.

Voorzorgsmaatregelen
In geval van incidenten en crises dient het bedrijfsleven zelf sneller voorzorgmaatregelen te treffen. Dit derde punt uit het plan van aanpak omvat een eventuele tijdelijke blokkering en kanalisatie in de dierlijke keten (van diervoer, veehouderij en vlees-, zuivel- en eierhandel en -industrie). De sector wil daarmee wettelijke maatregelen voor zijn. De Voedsel- en Warenautoriteit (VWA) beperkt zich tot het toezicht op een correcte en effectieve uitvoering door het bedrijfsleven. Bij het dioxine-incident van januari dit jaar bleek dit in de aanvangsperiode uitstekend te werken (later besloot de VWA alsnog zelf maatregelen te treffen).

Het dioxine-incident bracht ook het vierde aandachtspunt in praktijk: de tracering en koppeling van gegevens in de keten. In de veehouderijketen moet het denken en handelen er op gericht zijn snel in te grijpen als ergens toch iets fout gaat.
Gedegen crisismanagement staat of valt met het snel in beeld hebben van de betrokken bedrijven. In januari was de dioxinebron in enkele dagen gevonden. Binnen een dag was tevens bekend welke veehouderijbedrijven verontreinigd voer hadden ontvangen. De privacy van de bedrijfscode van veehouderbedrijven bleek vertragend te werken. Om die reden verzocht het PDV het ministerie van LNV inmiddels die privacy op te heffen. Het ministerie heeft dit verzoek nog steeds in beraad.

ISO 22000
Vijfde en laatste punt van het plan van aanpak is de stroomlijning van GMP+ met ISO 22000. Ook daarmee wil het PDV dat de diervoedersector een volwaardige invulling geeft aan zijn positie in de voedselketen. De sector is vergevorderd. Onlangs kreeg GMP+ van de Raad voor Accreditatie een opwaardering als internationale standaard voor certificatie. Ook doorstond de diervoedersector de eerste maanden van dit jaar de krachtproef van een nieuw incident. Het onderstreept de instelling van de sector. Ze meent zelfs de humane voedingsmiddelenindustrie tot voorbeeld te kunnen zijn. Immers, dankzij de borging van diervoeder kwamen de afgelopen jaren onvolkomenheden aan het licht bij voedingsmiddelenbedrijven die zij zelf niet op het spoor waren gekomen. Het geeft maar weer eens aan dat de sectoren veel met elkaar te maken hebben. En dat beide baat hebben bij een gezamenlijke aanpak van voedselveiligheid.

Reageer op dit artikel