artikel

Unimills’ geoliede innovatiemotor

Algemeen

Oliën- en vettenproducent Unimills heeft de gezondheidstrend mee. Vanuit de industrie groeit de vraag naar ingrediënten om de vetzuursamenstelling van producten te verbeteren. Als innovatiepartner met een groeiend Food Valley-netwerk weet de toeleverancier de markt te bespelen met gezondere oliën en vetten.

Sinds Unimills in 2002 werd losgeweekt van Unilever en onderdeel werd van het Maleisische Golden Hope is de innovatiemotor op hogere toeren gaan draaien. Een recent hoogtepunt was het tekenen van een samenwerkingovereenkomst tussen moederbedrijf Golden Hope en NIZO food research. De ceremonie vond op 29 juni plaats en biedt het bedrijf de mogelijkheid om bij industriële innovatietrajecten snel en flexibel wetenschappelijke kennis in te kopen of gebruik te maken van de proeffabriek in Ede. Vlak voor de ondertekening vroeg VMT aan general manager Alexander van der Klauw en R&D-manager Gerhard de Ruiter hoe Unimills zich de afgelopen jaren ontwikkeld heeft, wat de keuze van Golden Hope voor Food Valley betekent, en wat de strategische toekomstplannen zijn.

Wat is er veranderd sinds 2002?
Van der Klauw: “We maken minder commodities en meer specialiteiten. En onze strategie is niet meer afgeleid van die van Unilever, we volgen een duidelijk eigen koers. Die is meer gericht op succes en in lijn gebracht met de ambities van Golden Hope. We waren van alle Europese olieraffinaderijen van Unilever al het bedrijf met de meeste business buiten Unilever. Sinds we onderdeel zijn van Golden Hope is die klantenkring verder vergroot. Margarine is nog belangrijker geworden en ‘bakkerij’ is een sterk groeiend segment. Het gezonder maken of minder ongezond maken van koekjes en banketachtige producten, creëert een nieuwe vraag. Banketproducten hebben de publieke opinie tegen en bedrijven zoeken naar gezondere oplossingen.”

Hoe hebben jullie R&D opgezet?
Van der Klauw: “Voor we op eigen benen gingen staan, was R&D deels gecentraliseerd door Unilever. Daar zat veel applicatiekennis. In 2004 hebben we onze strategie herijkt en een ommezwaai gemaakt. We waren tot de conclusie gekomen dat we tailor made-oplossingen aan klanten moesten aanbieden en hier onze communicatie op moesten richten.”

De Ruiter haakt in: “Dat was het uitgangspunt voor een nieuw op te zetten R&D-afdeling. We hadden niet de pretentie alles zelf te kunnen. Je kunt als Unimills geen afdeling met tweehonderd man opzetten. Een deel van de R&D-kennis wilden we dus inhuren. Met NIZO klikte het al goed qua ideeën en vooral de expertise hier op modelgebied komt goed van pas bij productontwikkeltrajecten. Samen met NIZO hebben we ons NPD-team [New Product Development, red.] vorm gegeven. We kunnen efficiënt met een team van vijf mensen invulling geven aan R&D binnen een open innovatiemodel. We focussen ons op de oliën- en vettenkant.
Grondstoffen en processen met een bepaalde functionaliteit, alles wat de klant nodig heeft voor zijn productinnovatie.”

Dat gaat op projectbasis?
Van der Klauw: “Dat is de trend. Klanten selecteren hun leverancier steeds vaker op hun innovatievermogen. Een groeiend aantal klanten vraagt ons input te leveren voor hun innovatieprojecten. De vraag stijgt en stijgt: ‘We willen een nieuwe productlijn ontwikkelen met een hoger percentage onverzadigde vetten en we willen dat jullie ons daarbij helpen.’ In nauw overleg met de klant gaan we zo’n project in. We zorgen voor een maximale uitwisseling. Daardoor wordt de succesrate hoger. Per klantenvraag inventariseren we of het technisch en commercieel haalbaar is. Het moet ook wel bij ons passen. Zien we een project zitten, dan wordt er een concreet plan gemaakt. Van A tot Z worden er commerciële afspraken gemaakt met harde deadlines. Als het product voldoet aan de specificaties en eisen van de klant, dan spreken we af dat de klant het bij ons gaat afnemen. Een onderdeel daarvan is de vertrouwelijke expertise te beschermen. Je moet je kennis van bedrijven heel strikt gescheiden houden, dat ligt zo gevoelig in de voedingsindustrie. Daarvoor tekenen we vertrouwelijkheidverklaringen. Schaad je dat soort afspraken, dan ben je weg!”

Hoe bekorten jullie de lead times in de productontwikkeling?
De Ruiter: “Sneller innoveren doe je door een project goed te definiëren. Dus door goed in kaart te brengen wat uitgangspunten en randvoorwaarden zijn en wat je doel is. Niet alleen gezondheidscriteria zijn van belang, maar ook details over de fabriek, zoals specifieke unit operations. Het product moet ook gemaakt kunnen worden. Klanten zien ook dat het in hun belang is dat wij de apparatuur kennen en weten welke processen ze hanteren, willen daar dus ook openheid van zaken over geven. Ben je zeker dat aan alle criteria is voldaan, dan ga je aan de slag volgens een strak tijdschema. Wat ons daarbij flexibel maakt, is dat we zowel voor het applicatiestuk als de voedingsexpertise gebruik kunnen maken van kennis in Food Valley. Typische R&D-projecten in de voedingsmiddelenindustrie hebben al gauw een doorlooptijd van meer dan een jaar. We denken een project tussen de drie en zes maanden af te kunnen ronden.”

Voegt de samenwerking tussen NIZO food research en Golden Hope een extra dimensie toe?
Van der Klauw: “Hiermee geeft ons moederbedrijf aan hoe belangrijk ze de ontwikkelingen in Food Valley vinden. Ook voor zusterbedrijven in Zuid-Afrika en Maleisië. Wij werkten al samen met NIZO en spelen een rol in het managen van deze relatie. Golden Hope ziet duidelijk mogelijkheden om voordelen te halen uit de gebundelde voedingsexpertise in Food Valley. Voor hun is zo’n internationale relatie een opsteker. Voor kennis van textuur en smaak kan er worden aangeklopt bij NIZO. WUR is sterk in fundamenteel onderzoek en het Nederlands Bakkerij Centrum zit hier met een grote pilot-vestiging in Wageningen. Dat is dus een prima partner voor praktisch bakkerijonderzoek.”

Leveren nieuwe recepturen geen productieproblemen op?
Van der Klauw: “In de bakkerijbranche is het goed kunnen verwerken van het product inderdaad heel belangrijk. Naast kennis van vetzuren moet je als bedrijf dus over expertise beschikken van het gedrag op de koekjeslijn. Die combinatie kunnen we via onze contacten in Food Valley aan klanten aanbieden.”

De Ruiter: “Vanuit die genoemde succesrate werken we tijdens dit soort projecten met vier tot vijf alternatieven. Alles wordt getest op pilotplant-niveau. Beter daar dan testen in de fabriek van de klant. Efficiënter en goedkoper. Het eerste product dat naar klant gaat, moet raak zijn. Historisch gezien is het rendement bij nieuwe receptuurtoepassingen hooguit tien tot twintig procent Onze ambitie is dat ruim boven de vijftig procent te krijgen.”

Jullie hebben een oplossing voor ijs?
De Ruiter: “Voor ijs gaan we in oktober nieuwe formuleringen introduceren. We hebben het onverzadigd vetzuurgehalte significant verhoogd, zonder dat de smaak of processibility echt anders wordt. IJs wordt nu gemaakt met botervet of kokosvet met een gemiddeld verzadigd vetgehalte van zeventig respectievelijk negentig procent. Wij zetten een stuk lager in met het verzadigde vetgehalte. We hebben aardig wat pilots gedraaid, dus we zijn overtuigd dat het werkt.”

Heeft light inderdaad de toekomst?
Van der Klauw: “Nu zitten light-producten nog veel aan de nichekant. Dat gaat veranderen. Consumenten vinden ze nu vaak niet lekker. De uitdaging is producten te ontwikkelen die er nog steeds goed uitzien, maar bijvoorbeeld wel meer meervoudig onverzadigde vetten bevatten. Een heel ander aspect is duurzaamheid. Golden Hope wint al twintig jaar palmolie op verantwoorde wijze en steeds meer bedrijven zullen in hun milieuverslag willen verantwoorden dat ze sustainability serieus nemen. De consument gaat daar ook meer op letten. Let op mijn woorden: gezonde productinnovatie en duurzaamheid worden een gouden duo.”

Reageer op dit artikel