artikel

Omgaan met additieven en hulpstoffen

Algemeen

Niet alleen de consument heeft veel vragen rond additieven en hulpstoffen, ook voor producenten is alles niet even duidelijk. Zo bleek tijdens het onlangs gehouden VMT-symposium ‘Additieven en hulpstoffen in levensmiddelen’. De inleiders kregen veel vragen te verwerken, waarna soms een verhitte discussie volgde. Een korte samenvatting.

Voor en tijdens het VMT-symposium ‘Additieven en hulpstoffen in levensmiddelen’ konden deelnemers de inleiders vragen stellen over onderwerpen waar zij in de dagelijkse praktijk mee te maken hebben. Dat waren: H. van Buuren (consultant Levensmiddelenwetgeving, verbonden aan Précon Food Management en Schuttelaar & Partners), dr. J.W. Tas (directie Voeding, gezondheidsbescherming en preventie, ministerie VWS), drs. P. van Doorninck (senior juridisch adviseur Levensmiddelenwetgeving), drs. S.A. de Waart (Consumentenvereniging Goede Waar & Co), ir. J. D. Kluifhooft (DSM Food Specialties) en drs. R. van Croonenborgh (Quest International). Hiervan werd driftig gebruik gemaakt.

Wat is de definitie van ‘ingrediënt’ in juridische zin?
Artikel 1, eerste lid, onder e van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen (WEL) definieert ingrediënt als ‘iedere grondstof die bij de bereiding van een eet- of drinkwaar is gebruikt en die als zodanig of als omzettingsproduct in de waar aanwezig is’. Dus alle grondstoffen die bij de bereiding worden toegepast, dienen in principe in de lijst van ingrediënten te worden opgenomen. Niet als ingrediënt worden beschouwd: technologische hulpmiddelen en additieven die door carry-over vanuit een grondstof waarin de aanwezigheid is toegestaan, in de eet- of drinkwaar terecht is gekomen, maar daarin geen technologische functie vervullen.

Zijn er grenswaarden voor technologische hulpstoffen die als carry-over in het eindproduct komen en die een allergene werking hebben? Sommige additieven, waarvan heel weinig in het eindproduct voorkomt, bevatten soms technologische hulpstoffen in hele lage concentraties die in het eindproduct niet analyseerbaar zijn.
In principe zijn er voor additieven en hulpstoffen die een allergene werking hebben geen grenswaarden. Het al dan niet via een analyse aantoonbaar zijn, speelt hierin geen enkele rol. Elke stof die een allergene werking heeft en opgenomen is in de bijlage bij het WEL, dient te worden vermeld op het etiket. Het gaat dus om de stoffen die zijn opgenomen in bijlage III-bis bij Richtlijn 2000/13/EG of bijlage III bij het WEL. Recentelijk is richtlijn 2005/26/EG (L 75 van 22 maart 2005, p. 33) gepubliceerd. Hierin is een overzicht opgenomen van ingrediënten of stoffen die tijdelijk, tot en met 25 november 2007, worden geschrapt uit bijlage III-bis van de richtlijn. De Nederlandse wetgever zal bijlage III van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen binnenkort hieraan aanpassen.

Een enzym kan twee functies hebben: die van levensmiddel tijdens bijvoorbeeld de bereiding en na inname (via een voedingssupplement) in het lichaam. Hoe is de toelating van beide groepen enzymen geregeld? Waar is dit vastgelegd? Wat zijn de regels voor declaratie?
Tot op heden is er voor enzymen weinig wettelijk vastgelegd. Er is een beperkte groep enzymen die als additief wordt gezien en dus als ingrediënt wordt beschouwd, onder andere invertase en lysozym. Voor de niet in de Warenwetregeling Gebruik van additieven, met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen in levensmiddelen, opgenomen enzymen is (nog) geen EU-regeling. Indien deze als ingrediënt worden gezien, houdt dit in dat hiervan melding dient te worden gedaan in de lijst van ingrediënten. Indien ze echter als technologisch hulpmiddel worden gezien, is een dergelijke melding niet nodig.

De klant wil graag op het etiket vermeld hebben dat het product geen genetisch gemodificeerd materiaal bevat. Volgens de VWA is dit strijdig met de regelgeving. Onder wiens verantwoordelijkheid valt dit? Kan de producent hierop worden aangesproken?
Volgens artikel 3a van het Warenwetbesluit Nieuwe voedingsmiddelen is het onder voorwaarden toegestaan de vermelding ‘bereid zonder gentechniek’ voor eet- of drinkwaren te gebruiken. De verhandelaar van deze producten moet beschikken over documenten waaruit blijkt dat een dergelijk product voldoet aan de voorwaarden en stelt deze documenten desgevraagd ter beschikking van de controleambtenaren van de VWA.

Ik heb een hekel aan het gebruik van de aanduiding ‘gemodificeerd zetmeel’. Ik weet dat een aantal gemodificeerde zetmelen een E-nummer hebben. Mag ik in de lijst van ingrediënten gewoon de groepsnaam ‘bindmiddel’ gevolgd door een van de E-nummers opnemen? Dit ook in het licht van artikel 7, eerste lid, van het WEL.
De aanduiding ‘gemodificeerd zetmeel’ is een van de 22 genoemde categorieën levensmiddelenadditieven in het WEL. Het is dus verplicht indien ‘gemodificeerd zetmeel’ wordt toegepast als ingrediënt, dit te declareren als ‘gemodificeerd zetmeel’. De groepsnaam ‘bindmiddel’ bestaat niet! De specifieke benaming of het EG-nummer behoeft niet te worden vermeld. De benaming ‘gemodificeerd zetmeel’ moet echter ingevolge artikel 7, zesde lid, van het WEL, altijd worden aangevuld met een aanduiding van de specifieke plantaardige oorsprong wanneer dat ingrediënt gluten kan bevatten.

Op welke wijze duid ik crème fraîche aan in de lijst van ingrediënten? Mag dit met crème fraîche of moet ik het splitsen in room en botercultuur? Is de botercultuur dan een technologische hulpstof, zodat die niet meer behoeft te worden vermeld op het eindproduct?
De samenstelling van crème fraîche ligt niet in een wettelijk voorschrift vast. Voor dat product zijn verschillende samenstellingen te krijgen. Wanneer de crème fraîche uitsluitend uit aangezuurde room bestaat, dus slagroom met een reincultuur melkzuurbacteriën, kan worden volstaan met de aanduiding ‘zure room’. Wanneer de verpakkingen van als ‘crème fraîche’ aangeduide producten in de supermarkt worden bekeken, blijken deze in verschillende samenstellingen voor te komen.
Op een verpakking was de volgende lijst van ingrediënten vermeld: zure room, verdikkingsmiddelen E 1422 (maïs) en E461, emulgator E471, gelatine, maïszetmeel, pectine. Wanneer deze crème fraîche als ingrediënt in een ander levensmiddel wordt verwerkt, mag de aanduiding crème fraîche worden vermeld, maar moet tussen haakjes de opsomming van de aanwezige ingrediënten worden gegeven. Stel dat u crème fraîche verwerkt die uitsluitend bestaat uit room aangezuurd door een cultuur van bacteriën, dan is het toegestaan om alleen de aanduiding crème fraîche, zure room of aangezuurde room te vermelden. De bacteriecultuur kan dan worden gezien als technologisch hulpmiddel.

Mijn vragen gaan over druiven met SO2-gebruik. A) Is SO2 een additief? Zo ja, waarom is het verboden? B) Hoe en wat meet men bij SO2-residuen op of in druiven?
A: Zwaveldioxide is een conserveermiddel met het E-nummer 220 en is alleen toegestaan in de met naam en toenaam genoemde producten in bijlage III deel I.B van de Warenwetregeling Gebruik van additieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen in levensmiddelen. Druiven als zodanig komen hier niet in voor. Wel de categorie ‘gedroogde vruchten, waaronder druiven’, en ‘geconcentreerd druivensap voor het maken van huiswijn’. In beide is tot 2.000 mg/kg toegestaan. Het is dus niet toegestaan om ‘pads’ te gebruiken die zwaveldioxide afstaan op, in of onder de (verse) druiven.

B: De analysemethoden gaan altijd uit van de bepaling van SO2 want niet alleen E 220 mag worden toegepast maar ook E 221, 222, 223, 224, 226, 227 en 228. Dit zijn verbindingen die SO2 bevatten en bij gebruik later vrijkomen. De gehalten worden volgens afspraak altijd uitgedrukt in mg/kg SO2. Bij een SO2-gehalte van minder dan 10 mg/kg wordt SO2 geacht niet aanwezig te zijn.

Reageer op dit artikel