artikel

Alfalinoleen in plaats van omega-3

Algemeen

Vette vis is gezond vanwege de omega-3-vetzuren die erin zitten. De ‘grondvorm’ van omega-3-vetzuren is alfalinoleenzuur. Aan vette vis en visolie kleven nadelen: visolie is niet stabiel. Er lijkt veel voor te zeggen in plaats van visolie het stabielere alfalinoleenzuur aan voedingsmiddelen toe te voegen.

Begin jaren zeventig werd het belang van omega-3-vetzuren ontdekt. Deze sterk onverzadigde vetzuren staan nog steeds onverminderd in de belangstelling. De Gezondheidsraad beveelt een dagelijkse hoeveelheid (ADH) van 0,2 gram aan. Het initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Voedingsleer en Levensmiddelentechnologie (NVVL) om haar voorjaarsbijeenkomst aan omega-3-vetzuren de wijden, is dan ook een goede zaak.

Omega-3 en -6
De ‘grondvorm’ van omega-3-vetzuren is alfa-linoleenzuur (ALA), dat uitsluitend in het plantenrijk wordt gesynthetiseerd (vooral in groene plantendelen). ALA lijkt veel op linolzuur, maar bezit een extra dubbele band achter het derde koolstofatoom van de vetzuurketen, vandaar de naam ‘omega-3-vetzuur’. Ook linolzuur wordt uitsluitend in het plantenrijk gevormd, maar dan vooral in zaden. Omdat de eerste dubbele band zich pas achter het zesde koolstofatoom van de keten bevindt, hanteert men hier de term ‘omega-6-vetzuur’.

Omega-3- en omega-6-vetzuren behoren tot de meervoudig onverzadigde vetzuren en zijn van essentieel belang in voeding. Bij omega-3-vetzuren gaat het uiteindelijk niet om ALA zelf maar om omzettingsproducten, kortweg aangeduid als EPA en DHA (eicosapentaenoic acid, docosahexaenoic acid). EPA heeft vooral een gunstig effect op bloedvaten en DHA op hersenfuncties. De nadruk op de bijeenkomst lag dan ook op EPA en DHA.

Beperkingen vis en visolie
Vanaf het begin speelde vette vis, als rijke bron van deze omega-3-vetzuren, een belangrijke rol. Vette vis wordt terecht aanbevolen als bestanddeel van humane voeding. Tegenwoordig wordt steeds vaker gewezen op de toepassing van visolie: als bestanddeel van voer voor kweekvis, maar ook om direct door de mens te worden geconsumeerd (niet iedereen houdt van vette vis). Het gebruik van visolie heeft echter nadelen. Visolie is niet stabiel. Het oxideert aan de lucht en ook gezuiverde visolie gaat dan stinken. Door kunstgrepen (toevoegen van smaakverbeteraars en antioxidanten, capsulering) kan de houdbaarheid worden verlengd, maar het probleem wordt daarmee niet definitief opgelost. Verder wees een spreker terecht op het gevaar van uitputting van visbestanden als vette vis of visolie voor voer van (carnivore) kweekvis in grote hoeveelheden zou worden gebruikt. Daarnaast moet ook met ophoping van in vet oplosbare milieucontaminanten worden gerekend.

Alfa-linoleenzuur toevoegen
Daarom lijkt veel te zeggen voor voer en voedingsmiddelen waaraan in plaats van visolie het aanzienlijk stabielere alfa-linoleenzuur is toegevoegd. Op het symposium werd als bezwaar genoemd dat de omzetting van ALA in EPA en DHA onvolledig is. Dit is slechts ten dele waar. De meeste dieren, en ook de mens, beschikken over een enzymsysteem dat deze omzetting efficiënt kan uitvoeren. Deze enzymen worden ook gebruikt om linolzuur in andere vetzuren om te zetten. Het probleem is dat het aanbod aan linolzuur veel groter is dan dat aan linoleenzuur, zodat de omzetting minder vlot verloopt. Gelukkig werkt het systeem beter voor ALA dan voor linolzuur.

Er zijn dus redenen om ALA, maar vooral de verhouding ALA – linolzuur in voeding meer en meer in de discussie te betrekken. Het is een beetje spijtig dat dit onvoldoende in de voordrachten aan de orde kwam.

Reageer op dit artikel