artikel

Helft bedrijven gaat de fout in

Algemeen

Bij 52% van een breed scala van bedrijven vertoont de bestrijding van plaagdieren (grote) tekortkomingen, zo blijkt uit recent onderzoek van inspecteurs van het ministerie van VROM en VWA-controleurs. Bestrijdingsmiddelen worden vaak verkeerd gebruikt met als gevolg dat plaagdieren resistentie kunnen opbouwen. De dierplaagbestrijder is daarvoor verantwoordelijk, maar veelal ook zijn opdrachtgever, de voedingsmiddelenproducent.

De voorloper van het onlangs afgeronde onderzoek ‘Bestrijdingsmiddelenwet dierplaagbestrijding 2004’ dateert van eind 2002, begin 2003. Het Ministerie van VROM initieerde toen het project ‘Besluit vakkennis- en vakbekwaamheidseisen bestrijdingsmiddelen’. Daarin werd de bevoegdheid van personen die beroeps- of bedrijfsmatig gebruik maken van bestrijdingsmiddelen onderzocht.

De resultaten van dit onderzoek trok de belangstelling van enkele productschappen. Vanuit hun streven naar integrale ketenbewaking sloot een aanscherping van de eisen voor het gebruik van (giftige) bestrijdingsmiddelen goed aan op hun eigen wensen. Ook de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA) reageerde, net als de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID). Al met al reden voor VROM om te besluiten het onderzoeksproject uit te breiden en in de periode september 2004 tot februari 2005 te herhalen. De taakverdeling daarbij was dat VROM de 143 grotere industriële bedrijven (bierbrouwerijen, slachterijen opslagplaatsen) zou inspecteren en de VWA de 170 ambachtelijke bedrijven (bakkerijen, slagerijen, horeca en zorginstellingen).

Wetgeving
Bedrijven werden gecontroleerd op het voldoen aan de wetgeving die van kracht is op het gebied van plaagdierbestrijding. Dat zijn onder meer de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, het Besluit vakkennis- en vakbekwaamheidseisen bestrijdingsmiddelen 1994, de Gezondheidswet en Welzijnswet voor Dieren (met name artikel 121, eerste lid; geen ontoelaatbaar pijn of letsel aan dieren toebrengen) en tot slot de Flora- en Faunawet (met name artikel 72, eerste lid waarin lijmplanken niet staan genoemd en dus verboden zijn). Daar VROM en VWA niet bevoegd zijn voor deze twee laatste wetten, schakelden zij bij geconstateerde overtredingen ervan de LID in.

Resultaten
De belangrijkste bevindingen van het onderzoek staan vermeld in tabel 1. Bij 164 van de 313 bedrijven (52%) werden in totaal 305 overtredingen geconstateerd. Veruit de meeste overtredingen betroffen het verkeerd (132) dan wel onzorgvuldig (126) gebruik van bestrijdingsmiddelen.

Onder verkeerd gebruik wordt een veelheid van aspecten verstaan. Een belangrijke overtreding is het gebruik van bestrijdingsmiddelen terwijl sporen van de aanwezigheid van plaagdieren (geruime tijd) ontbreken. Een toegelaten bestrijdingsmiddel mag uitsluitend worden ingezet als eerst is aangetoond dat er ook sprake is van overlast door plaagdieren waarvoor het middel is toegelaten. Daarvoor zijn sporen nodig, bijvoorbeeld uitwerpselen of buiksmeer van huismuizen langs muren, gedetermineerde monsters of typerende schadebeelden. Preventief mag er dus geen giftig lokaas worden gebruikt; ook niet als het (in het geval van knaagdieren) gemengd is met haver of graan.

Andersom geldt ook dat wanneer de overlast van plaagdieren, vooral van muizen en ratten, tot het nulpunt is teruggebracht, er niet langer met vergiftigd lokaas mag worden gewerkt. Er moet dan worden overgaan tot het plaatsen van non-tox (niet-giftig) lokaas. Het onnodig binnenbrengen van vergiftigd lokaas in een levensmiddelenbedrijf is absoluut ongewenst; ook daar let de Inspectie op.

Gebouwen
Er mag geen bestrijdingsmiddel worden gebruikt als er geen of onvoldoende preventieve hygiënische en bouwtechnische maatregelen zijn genomen. In het onderzoek bleek dat vooral de hygiëne vaak en veel te wensen overliet, waardoor plaagdieren werden aangelokt. Bijkomend negatief effect van voedselaanbod als gevolg van onvoldoende hygiëne is dat dit bemoeilijkt te constateren of plaagdieren aanwezig zijn. Bovendien nemen de plaagdieren het bestrijdingsmiddel onvoldoende op, waardoor gemakkelijker resistentie tegen het bestrijdingsmiddel wordt opgebouwd.

In die (veelvuldig voorkomende) gevallen dat de producent de aanbevelingen van de plaagdierbestrijder niet had overgenomen, zijn maatregelen tegen beiden genomen. Producenten die meerdere malen de adviezen van hun plaagdierbestrijder niet opvolgden, kregen een waarschuwing.

Onzorgvuldig
Onder onzorgvuldig gebruik van bestrijdingsmiddelen vallen zaken als te veel bestrijdingsmiddelen in lokdozen/kisten, niet opgeruimde, gemorste bestrijdingsmiddelen, niet afgesloten of beschadigde lokkisten, het gebruiken van oud bestrijdingsmiddel en het bijvullen van lokdozen. Een dergelijke onzorgvuldige gebruik kan onvoldoende opname van bestrijdingsmiddel tot gevolg hebben, met gevaar voor het ontstaan van resistentie. Lokdozen dienen eerst te worden geleegd, schoongemaakt en vervolgens met vers bestrijdingsmiddel te worden gevuld. Als richtlijn wordt daarbij gehanteerd: 50 tot 60 gram voor muizen en 250 gram voor de bruine rat.

Het invullen van het logboek kan beter. Vaak mist een verantwoording en/of rapportage over de aanbevolen te nemen hygiënische en bouwkundige maatregelen, het gebruik van bestrijdingsmiddelen en de werkzame stoffen (met toelatingsnummer) daarin en wie deze heeft toegepast. Ook ontbreekt in het logboek nog al eens een deugdelijke plattegrond waarop het uitgezette lokaas en eventuele lijmvallen (voor insecten!) zijn aangetekend. Een goed gedocumenteerd logboek is, samen met de inspectiebevindingen van de plaagdierbestrijder en/of van een onafhankelijke derde, de basis van de risicobeheersing op het gebied van dierplagen in de bedrijfsvoering.

Ongeschoold
Sinds 1 oktober 1999 gelden er scherpere eisen voor het gebruik van (giftige) bestrijdingsmiddelen. Alleen deskundigen die in het bezit zijn van een geldig vakbekwaamheidsdiploma mogen bestrijdingsmiddelen toepassen. Bij nog altijd 35 bedrijven waar beroeps- of bedrijfsmatig bestrijdingsmiddelen werden gebruikt, bleek dat de ‘plaagdierbestrijder’ niet over het ‘Vakbekwaamheidsdiploma dierplaagbestrijding en houtrotverwekkende schimmels’ beschikte. Deze bedrijven kregen een proces-verbaal. Bedrijven waar eerste toezichthouders als een RVV het bestrijdingsplan hadden goedgekeurd, ontvingen een schriftelijke waarschuwing.
In het eind 2002, begin 2003 gehouden eerste onderzoek bleek in 20% van de gevallen sprake van een overtreding. Twee jaar later is er dus sprake van een duidelijke verbetering.

Bij twee bedrijven werden in Nederland verboden bestrijdingsmiddelen aangetroffen. Tien bedrijven gebruikten lijmplanken. Deze vanuit het oogpunt van dierenwelzijn in Nederland voor knaagdieren verboden.

VROM
De VROM-Inspectie treedt op namens het Ministerie van VROM, maar heeft daarbinnen een onafhankelijke positie. Zowel VROM als LNV en VWS wil meer aandacht besteden aan preventie dan zij tot nu toe hebben gedaan, in het bijzonder aan dierplaagpreventie. Bij de ministeries leeft de overtuiging dat dierplagen nog te vaak ad hoc worden aangepakt. Dit wordt gevoed door wat de inspecteurs in het veld tegenkomen en de resultaten van dit onderzoek.

De algemene teneur is dat plaagdieren onvoldoende aandacht krijgen. En komen plaagdieren onverhoopt toch voor, dan wordt er in de regel zo snel mogelijk ingegrepen met chemische bestrijdingsmiddelen. Dat zijn drastische maatregelen die weliswaar op korte termijn werken, maar het onheil is dan al geschied. Het gebruik van chemische middelen, ook wel biociden genoemd, blijft een kwestie van symptoombestrijding. Bovendien kan het omgaan met bestrijdingsmiddelen gevaarlijk zijn voor de volksgezondheid, het milieu en voor de voedselveiligheid, vooral bij ondeskundig gebruik. Reden voor de overheid om in toenemende mate in te zetten op preventie en controle, in plaats van bestrijding.

Een maximale inzet op preventie en controle (beheersbaarheid) past ook binnen het beleid om bedrijven maatschappelijk verantwoord te laten ondernemen. ‘Dierplaagbeheersing moet integraal onderdeel worden van het kwaliteitsdenken’, luidt een van de aanbevelingen van de beide inspecties. De Bestrijdingsmiddelenwet voorziet wat dat betreft in duidelijke richtlijnen.

Tegenstrijdige belangen
Het onderzoek wijst uit dat de contracten tussen dierplaagbestrijders en voedselproducenten een goede dierplaagbeheersing vaak in de weg staan. Veel bedrijven of opdrachtgevers zien de dierplaagbeheersing (-bestrijding) als een verplichting of een noodzakelijk iets in het kader van hun bedrijfserkenning, EEG-erkenning, HACCP-certificering of hygiënecode. Dit betekent dat het geen onderdeel is van hun kwaliteitsdenken. Dat leidt er toe dat de dierplaagbestrijder voor minimale contracten een optimale inspanning moet leveren om een verantwoorde dierplaagbestrijding uit te voeren.

Soms blijkt dat de bestrijder geen adequaat werk levert. Strategische plaatsen worden overgeslagen. Systeemplafonds zijn daar een goed voorbeeld van. Dit kunnen ware snelwegen voor huismuizen zijn.
In andere gevallen wil de opdrachtgever, die daartoe niet bevoegd is, de bestrijdingswijze bepalen. Een dergelijke situatie doet zich vooral voor wanneer de dierplaagbestrijder, wanneer plaagdieren voorkomen, meer lokaasdepots wil plaatsen en de frequentie van inspecties en nazorg wil opvoeren.

Veel dierplaagbestrijders klagen dat ze te weinig (financiële) ruimte krijgen voor een correcte bestrijding, waardoor ze ‘half’ werk moeten doen. VROM Inspectie en de VWA sluiten hier niet de ogen voor; ook zij hebben begrip voor de prijsdruk (tijdsdruk) waaronder moet worden gewerkt. Daarom hechten zij veel waarde aan het dierplaagbeheersingsplan en de weringsadviezen van de dierplaagbestrijder aan de voedingsmiddelenproducent. Soms wordt om die reden volstaan met een waarschuwing.

€ 10.000 boete
Primair is de professionele dierplaagbestrijder aansprakelijk voor zijn gebruik van bestrijdingsmiddelen. Toch zijn er door de inspectie ook richting de opdrachtgever van de dierplaagbestrijder maatregelen genomen. Bedrijven die de aanbevelingen van hun dierplaagbestrijder bij herhaling niet hebben opgevolgd, kregen een waarschuwing. Op grote schaal zijn immers bij de opdrachtgever hygiënische en bouwtechnische tekortkomingen vastgesteld. Door deze tekortkomingen mogen bestrijdingsmiddelen niet worden gebruikt. Het is namelijk in strijd met het gebruiksvoorschrift en met het toelatingsbesluit van bestrijdingsmiddelen.
Op grond van de bevindingen zijn in 89 gevallen strafrechtelijke maatregelen getroffen. Een niet-toegelaten bestrijdingsmiddel gebruiken, bijvoorbeeld uit Duitsland, is in ons land een misdrijf. De boetes varieerden van € 500 tot € 10.000. Bij de bedrijven waar een proces-verbaal is aangezegd of waar een waarschuwing naar is uitgegaan, vindt altijd een herinspectie plaats.

Aanbevelingen
Op grond van de gevonden resultaten doen de onderzoekers de volgende aanbevelingen.
– Contracten tussen opdrachtgever en dierplaagbestrijdingsbedrijf moeten ‘in feite niets meer en niets minder zijn dan een afspraak dat een bedrijf opdracht krijgt de dierplaagbeheersing/wering/bestrijding uit te voeren. Hoe of wat, zoals frequentie van bezoeken, is niet van tevoren te bepalen.’
– Instelling van een centraal meldpunt voor klachten en een centrale registratie van personen die in het bezit zijn van het benodigde diploma. Dat is er nu niet.
– Betere scholing en meer professioneel opstellen van zowel de plaagdierbestrijders als hun opdrachtgevers. Zij dienen plaagdierbestrijding niet als sluitpost, maar als integraal onderdeel van de kwaliteitszorg te zien.
– Opname van een artikel in de Bestrijdingsmiddelenwet dat regelt dat uitsluitend personen die in het bezit zijn van het vakbekwaamheidsdiploma ‘Dierplaagbestrijding en houtrotverwekkende schimmels’ bepaalde bestrijdingsmiddelen/biociden kunnen kopen.

Reageer op dit artikel