artikel

‘Het draait nu om de bedrijven’

Algemeen

De oprichting van de nieuwe belangenbehartigingsorganisatie Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie (FNLI) viel samen met zijn prepensioen en beëindigde zijn carrière. “Door mijn broodheer onderuit gehaald”, zegt Reinier Diamant, zonder rancune overigens. Als secretaris van de VAI behartigde hij ruim 13 jaar de belangen van de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie. De bedrijven zelf nemen die functie nu in toenemende mate over.

Reinier Diamant zag in de jaren dat hij zich als VAI-secretaris met belangenbehartiging van de gehele voedingsmiddelenindustrie bezighield, veel veranderen. De ‘interne lobby’, zoals hij het zelf noemt, was in de jaren negentig uitermate succesvol. Diamant: “Ik heb geprobeerd Nederland in Brussel op de kaart te zetten, want we zagen dat ‘Europa’ steeds belangrijker werd. Dat moest zich weerspiegelen in de management- en bestuurlijke aspecten van de organisaties die zich daarmee bezighielden. Dat is ook gelukt. Nederlanders kwamen op sleutelfuncties binnen de Europese organisatie van de voedingsmiddelenindustrie CIAA. Intern lobbyen houdt in mensen bereid vinden om die functies binnen organisaties als de VAI en CIAA te bekleden en werkgroepen te leiden. Je moet ze ervan overtuigen dat die tijdsbesteding aan het belang van een branche of sector een goede keus is.”

Interne lobby
Nederland was in de jaren voorafgaand aan de toetreding van de nieuwe lidstaten in Brussel ‘de grootste van de kleine landjes’. Diamant licht toe dat de interne, grotendeels politieke lobby die ten grondslag lag aan het ‘veroveren’ van functies, uitermate voorzichtig opereren vergde. “Er werd en wordt nog altijd nauwlettend gekeken wie welke functies heeft. Daarbij wordt er voor gewaakt dat een land niet te veel posities inneemt.”

Onderdeel van de strategie, zo vertelt Diamant, was bijvoorbeeld verhoging van de contributie van 4%, die Nederland op grond van de geldende grondslag zou moeten betalen aan de CIAA, naar 6%. Het relatief grote belang van de sector in Nederland legitimeerde dat. “Dan wordt er toch iets meer naar je geluisterd. Samen met de vertegenwoordiger binnen het dagelijks bestuur en het bestuur van de CIAA probeer je dan vorm te geven aan die leidende positie”, aldus Diamant.

De laatste jaren ambiëren landen als Spanje, Italië en Frankrijk steeds meer leidende functies. “Dan zie je dat Nederland wat aan de kleine kant is. Bovendien werd een Unilever-man voorzitter van de CIAA, terwijl ons lid van het dagelijks bestuur ook van Unilever afkomstig was. Dat was te veel, volgens de regels. Wij moesten onze zetel in het dagelijkse bestuur van de CIAA afstaan. Overigens is het goed dat andere landen bij toerbeurt hun verantwoordelijkheid nemen.”

Bedrijven zelf
Diamant kenschetst de ontwikkeling die maakt dat de invloed van brancheorganisaties onder druk staat. “Multinationale bedrijven positioneren zich veel nadrukkelijker als bedrijf waar dat voorheen via de branches en in nationaal verband gebeurde. Zij kiezen steeds meer voor hun eigen identiteit en kijken waar ze allemaal lid van zijn. Allereerst maakt dat de grenzen binnen Europa minder belangrijk, wat invloed heeft op de positie van nationale organisaties. Bovendien zijn grote bedrijven steeds minder bereid om hun eigen belang te laten verwateren door de belangen van kleine ondernemingen. Die kleine ondernemingen investeren nauwelijks in belangenbehartiging en vertragen ontwikkelingen vaak via de brancheorganisaties.”

De organisaties moeten zich door deze ontwikkelingen aanpassen. Diamant: “Je ziet het overal gebeuren. Was de CIAA aanvankelijk uitsluitend een organisatie van nationale federaties, nu maken de grote bedrijven deel uit van het dagelijkse bestuur en hebben een beslissende stem. Daarnaast zijn ook de Euro-branches, de sectoren, binnengehaald.” De voormalige VAI-secretaris is hierover heel nuchter: “Het draait terecht om de bedrijven. Uiteindelijk betalen zij de contributie.”

Op deze voet verder
Diamant ziet het op deze voet voortgaan: “Je kunt er vergif op innemen dat bedrijven binnenkort een selectie aanbrengen. Ze kijken naar de ‘VAI’s’ en naar de brancheorganisaties in de verschillende landen en bepalen in welke organisatie ze wel en in welke ze niet actief willen zijn. Bepaalde belangen behartigen ze vanuit het ene land en andere weer vanuit een ander land. Bedenk wel: er zijn nu vijfentwintig lidstaten in de EU, en als je per land bijvoorbeeld lid bent van acht branches, dan kan een bedrijf dat toch ook niet allemaal bemensen. Los van alle coördinatieactiviteiten om te voorkomen dat men elkaar tegenspreekt of, erger nog, tegenwerkt. Door afslankingen zijn mensen bovendien te druk en worden ze niet vrijgemaakt om dit soort functies te vervullen.”

Overigens ziet de voormalig VAI-man in de toekomst voor de brancheorganisaties nog wel degelijk reden van bestaan. “Zij moeten hun functie herdefiniëren en zich veel meer op dienstverlening richten. Nu de bedrijven minder mensen beschikbaar stellen voor analyse en lobby, kunnen de brancheorganisaties een nuttige functie vervullen. Branches zijn bij uitstek in staat in te schatten wat de consequenties van voorgestelde regelgeving voor de bij hun aangesloten bedrijven zijn. Beter dan bedrijven kunnen zij lobbies opzetten om de standpunten uit te leggen en te verdedigen. Door het grotere draagvlak van de branche zijn ze voor de gezaghebbers geloofwaardiger dan bedrijven, die door de politiek toch vaak worden gebrandmerkt als ‘uit zijnde op kapitalistisch winstbejag’.”

Verwaterd standpunt
De huidige ontwikkeling heeft in de visie van Diamant dus zowel voor- als nadelen. “Politiek is het vaak handig om zaken via grotere organisaties te spelen. Dat geeft een breder draagvlak. Maar een groter draagvlak zoals dat van een brancheorganisatie leidt bijna altijd tot compromissen en dus een verwaterd standpunt. Daarom wilden de CEO’s van de bedrijven vaak niet deelnemen aan de werkzaamheden van de VAI en was het voor de VAI lastig om bij de minister op audiëntie te komen.”

Onverzoenbare standpunten komen sporadisch voor maar die maakte Diamant wel mee. “We legden dan het standpunt van de meerderheid vast en dat was het standpunt van de VAI. Daarbij werd alleen gemeld dat er ook een minderheidsstandpunt was. De brancheorganisaties of bedrijven met die afwijkende mening moesten die dan zelf verkondigen.”

Meer in het algemeen voegt Diamant er aan toe dat het bij lobbyen goed is om degene te laten spreken die het meest wordt geraakt door een maatregel, bijvoorbeeld omdat het gaat om het eigen bedrijf of om eigen geld. “Als hij of zij het goed kan verwoorden, gebeurt dat met passie en moet je dat niet aan een vertegenwoordiger van een koepel- of brancheorganisatie overlaten. Daar ligt de taak om het spreken van die persoon juist te ‘orkestreren’.”

Geen voorstander
Diamant is als VAI-secretaris langer aangebleven om het samengaan met de SMA (Stichting Merkartikel) tot de nieuwgevormde Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie (FNLI) te voltooien. De structuur van de FNLI is conform de ontwikkelingen op Europees niveau een samenbrengen van bedrijven en brancheorganisaties en nog een stap verder: individuele bedrijven en branches hebben even veel stemmen.

Aanvankelijk was Diamant geen voorstander van het samengaan. “Wij hadden een heel andere doelgroep. De VAI richtte zich op de overheid en de politiek en hield zich bezig met regelgeving: ‘licence to produce’. SMA richtte zich op de retail, het CBL [Centraal Bureau Levensmiddelenhandel, red.]: ‘licence to sell’. Dit betekende dat we volledig parallelle functies vervulden. Wat de VAI ontbeerde, was draagvlak binnen de ondernemingen en vooral dat CEO’s actief meedachten en meewerkten. Nu alles ‘bij elkaar is geharkt’ vraag ik me nog steeds af of het de meest effectieve oplossing is. Maar het is de NFLI in elk geval wel gelukt wat mijn hoogste prioriteit had: de CEO’s erbij betrekken. Zij vormen het bestuur van de FNLI en zijn erg actief bij de opbouw van de organisatie. In ieder geval, en dat is het allerbelangrijkste, spreekt de voedingsmiddelenindustrie als geheel met één stem.”

Frustratie en wapenfeit
Daarmee benoemt Diamant, terugkijkend op zijn loopbaan als lobbyist tegelijkertijd zijn grootste frustratie: “Dat het zo moeilijk bleek te zijn om CEO’s voor het karretje van de VAI te spannen. Steeds was het een gevecht om voldoende niveau in het bestuur en daarmee om aandacht voor het werk van de VAI. We moesten er constant voor waken dat de onderwerpen, die vaak van wezensbelang voor de bedrijven waren, niet naar een technisch niveau werden gedelegeerd.”

Inhoudelijk vindt Diamant het bijzonder jammer dat hij nooit heeft kunnen veranderen dat bedrijven zo weinig waarde blijken te hechten aan het (levensmiddelentechnologisch) onderwijs. “Al die jaren was het trekken aan een dood paard. Als er na veel overleg afspraken lagen, bleek de praktische uitvoering – vooral als het kosten met zich meebracht – een groot probleem.”

Maar wapenfeiten zijn er natuurlijk ook. “Als Nederland hebben we binnen Europese organisaties een belangrijke stem gehad. Onze inbreng lag ver boven wat ons aan invloed toekwam op grond van de omvang van ons land. En dat met een ‘skeleton staff’ van twee man.” Tegelijkertijd relativeert hij deze ‘overwinning’: “Of we er ook veel aan hebben gehad in de vorm van concrete resultaten? Ik weet het niet.”

Reageer op dit artikel