artikel

Partners willen verder met WCFS

Algemeen

Alle partners in het Wageningen Centre for Food Sciences willen met dit topinstituut een tweede termijn ingaan. De Kerngroep Food & Nutrition oppert om in WCFS ook wetgevingstandpunten en consumentenonderzoek te coördineren. Het precompetitieve onderzoeksprogramma moet worden versterkt. Volgens directeur Vergouwen zouden daar ook (product)toepassingen onder kunnen vallen.

Alle partijen in het Wageningen Centre for Food Sciences willen na 2007 verder samenwerken binnen dit topinstituut. De programmaraad, gevormd door R&D-directeuren van de voedingsmiddelenindustrie en kennisinstellingen, het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur, gevormd door overwegend RvB-leden en collegevoorzitters van de participanten, hebben dit de afgelopen maanden unaniem uitgesproken.

Daarmee is de doorstart in principe rond. De participanten hebben wel een duidelijk voorbehoud gemaakt, namelijk dat de overheid financieel substantieel blijft bijdragen. Het ministerie van Economische Zaken droeg in 2004 als subsidie de helft van het budget van € 20 miljoen bij. EZ laat de financiering afhangen van de eind dit jaar verwachte resultaten van een evaluatie van de vier technologische topinstituten (TTI’s). WCFS-directeur Driek Vergouwen twijfelt niet aan de goede afloop. “Zowel de Commissie Wijffels als de OESO zijn lovend over de vier TTI’s. Daarnaast heeft het Innovatieplatform vorig jaar Food & Nutrition bestempeld als het belangrijkste sleutelgebied in de Nederlandse kennisinfrastructuur. Ook wijzen tussentijdse evaluaties uit dat WCFS erg goed scoort. Ik kan me dan ook niet voorstellen dat de overheid WCFS niet financieel wil stimuleren, vooral ook gezien het enorme draagvlak bij alle partners.”

Competenties
Een WCFS-commissie is vrijwel klaar met het in kaart brengen van de wetenschappelijke competenties bij de WCFS-kennisinstellingen en het niveau daarvan. In het voorjaar discussieert de programmaraad daarover met als doel gerichte keuzes te kunnen maken om samen met de kennispartners het beste expertisecentrum te worden van Nederland, en op termijn van Europa. Hiertoe zal vooral worden samengewerkt met kennisclusters die over hoogwaardige competenties beschikken en deze verder kunnen uitbouwen. Vergouwen: “Enkele kennisinstellingen willen deze studie ook gebruiken als basis om hun eigen koers verder te bepalen.”

Voor competenties die bij de partners nog niet de vereiste topkwaliteit hebben, wordt nagegaan of partners deze op niveau kunnen en willen brengen. Zo niet, dan zal daarvoor worden uitgeweken naar andere kennisinstellingen in binnen- of buitenland. Overigens lijkt de recent aangekondigde ontmanteling van A&F volgens Vergouwen geen gevolgen te hebben voor WCFS.

Need-to-know
Behalve met de kennisinstellingen moeten de researchactiviteiten nog beter worden afgestemd met de industriële partners. “Ik wil door R&D-directeuren worden gebeld met de vraag: waar blijven de resultaten? Ook met hen zullen we de discussie moeten voeren wat zij precies willen weten om zo het optimale uit het onderzoek te halen. Als we het erg goed zouden doen, zouden veertig tot vijfenzeventig van onze honderdvijftig onderzoekers moeten werken aan onderwerpen die direct passen in het eigen R&D-beleid van onze partners. We kunnen het need-to-know-gehalte nog verder versterken. Ik krijg de indruk dat het soms om nice-to-know-informatie gaat. Aan ons de taak om de researchactiviteiten van WCFS nog beter te integreren met die van onze industriële partners.”

Wetgeving
Gezien het succes van WCFS overweegt de onafhankelijke Kerngroep Food & Nutrition, actief in het kader van het Innovatieplatform, om de belangenbehartiging rond Europese wet- en regelgeving door WCFS te laten coördineren. Gevraagd naar meer details wil Vergouwen daar weinig over kwijt, gezien het prille, onzekere stadium van deze plannen. Wel geeft hij aan dat de achterliggende wens is om via WCFS een meer uniform standpunt richting Brussel te kunnen ventileren. Hij aarzelt of WCFS iets dergelijks op zich moet nemen. “Dit is een totaal andere activiteit voor WCFS, maar onze partners beslissen daarover.”

Marketing
Een ander idee van de Kerngroep Food & Nutrition is om ook consumentenonderzoek via het topinstituut te coördineren. “Het blijft echter moeilijk om vijf tot tien jaar vooruit te kijken”, aldus Vergouwen. “Je moet daarvoor over zeer goede strategische marketeers beschikken. Nog steeds faalt meer dan vijftig procent van de noviteiten in de voedingsmiddelenwereld.”

Geleidelijk groeien
Vorig jaar juni sprak de destijds net aangestelde directeur nog van een meer Europees gerichte scope (zie kader). Vooralsnog blijft echter de nadruk liggen op Nederlandse partners. “Groeien is geen doel op zich, maar dient te gebeuren vanuit een zekere kracht en behoefte. Onze partners geven nu prioriteit aan de organisatie van het onderzoek, zowel bij het WCFS als bij henzelf. Wel zullen we de ontwikkelingen meer dan alleen maar goed blijven volgen. WCFS heeft een unieke positie, niet alleen in Nederland. Daar moeten we strategisch gebruik van maken.”

In het manifest dat de vier TTI’s vorig jaar voor het Innovatieplatform hebben geschreven staat dat WCFS overweegt om haar portfolio uit te breiden naar de kennisgebieden textuur en smaak, obesitas, chronische ziekten en leeftijdgerelateerde aandoeningen. “Met de eerste twee zijn we al aan de slag, over de laatste twee is nog discussie. Een en ander hangt ook af van de uitkomsten van het rapport van de Kerngroep Food & Nutrition over de ambities van de voedingsmiddelenindustrie dat dit jaar aan het Innovatieplatform zal worden verstrekt.”

Concurrentie
Wil WCFS kunnen uitgroeien tot een Europees topinstituut met nog concretere bijdragen aan het innovatievermogen van de industriële partners dan zouden deze een deel van hun concurrentieoverwegingen terzijde moeten schuiven. “In de farmacie was tien, vijftien jaar geleden een vergelijkbare situatie als nu bij food. Doordat overheden meer inzicht in dossiers wilden hebben, imago-overwegingen bij fabrikanten en de komst van gespecialiseerde marktonderzoekbureaus is de branche veel doorzichtiger geworden. Het plezierige daarvan is dat iedereen weet wat de ander doet”, aldus de voormalige R&D-directeur van Organon.

“Maar wat is precompetitief onderzoek nu precies?” Om vervolgens de vraag zelf te beantwoorden. “Onderzoek dat geen direct concurrentievoordeel oplevert voor een bedrijf. Daaronder valt dus ook onderzoek waarvan de concrete resultaten gelijktijdig voor iedereen beschikbaar komen. Dat resultaat zou zelfs een kant-en-klaar-product kunnen zijn dat vervolgens door iedere partner op een geheel eigen wijze wordt vermarkt. Pas daar begint dan de concurrentie. Als je het zo bekijkt, zou WCFS best iets kunnen opschuiven.”

De farmacie heeft met een dergelijke manier van werken de nodige ervaring opgedaan. Volgens Vergouwen zullen voedingsfabrikanten hen volgen, niet alleen voor zeer gespecialiseerd, kostbaar onderzoek, maar ook voor onderzoeksgebieden en/of producten bestemd voor zeer concurrerende markten. “Stel dat afzonderlijke industriële partners gezamenlijk nu een marktaandeel hebben van zeg twintig procent. Als zij met een echt competitief product hun krachten bundelen richting die overige tachtig procent, zouden ze daarvan wel eens een flink stuk kunnen veroveren. Dat kan ook een goede strategie zijn.”

De oplaaiende strijd tussen de A-merken en de huismerken legt volgens hem nog meer nadruk op het innovatieve vermogen van fabrikanten. Vergouwen: “Daarmee wordt het bestaansrecht van WCFS nog eens onderstreept, namelijk met een gezamenlijke inspanning innovatief verbeteren tegen een redelijke prijs en gedeeld risico.”

Reageer op dit artikel